21 november 2009

Afslanken die handel!

Aan de lijn met Jan van Klinken

Bent u veertig plus en een gemiddelde Nederlander? Neem dan plaats voor de spiegel en ik zal zeggen wat u ziet: vetkwabben. Wat zegt u? Dat het bij u wel meevalt? Dan doet u het goed vergeleken bij de meeste anderen. Volgens de statistieken wegen we met z’n allen 70 miljoen kilo te zwaar! Dat zijn heel wat kwabben hoor.

Het is een bizar idee. Niet eerder waren zo veel mensen in dit deel van de wereld in de gelegenheid om zich met de gezondste middelen te voeden en zich op de meest verantwoorde wijze te ontspannen. En wat doen we? We eten en drinken dat het een aard heeft; wat we naar binnen werken is vaak te triest voor woorden en bewegen ho maar. Dan nemen we ook nog eens veel te stevig in, te veel landgenoten kunnen het roken niet laten en verder is er een groeiende categorie die het altijd druk druk druk heeft met als gevolg dat ze volkomen gestrest aan de ziekenhuismonitor eindigt. Kortom, we doen massaal precies datgene wat we nou net niet zouden moeten doen.

Ziedaar in enkele trekken een belangrijke oorzaak waarom onze gezondheidszorg zo duur is geworden. Met ingang van 2010 stijgen de verzekeringspremies maar weer eens met 4 procent en als we nog even zo doorgaan, wordt het hele systeem onbetaalbaar. Dan zullen er keiharde keuzes gemaakt moeten worden. „O, u kunt niet bijbetalen voor deze behandeling? Wat jammer, maar dan mag ik u die niet geven.” En: „Ik zie dat u al een dagje ouder bent. Dan heb ik een vervelende boodschap voor u, want u komt niet voor deze behandeling in aanmerking.”

Soms is dat nu al praktijk. Een tijdje terug stond in deze krant dat twee op de drie huisartsen tachtigplussers met hartklachten niet doorverwijzen naar de specialist en al helemaal niet naar de hartfalenpoli. Je hoort ze denken: Het kost allemaal al genoeg.

Een tante van me uit Zeeland las dat en schreef verontwaardigd: „Allen die een goed heenkomen in ons vaderland zoeken, mogen gebruikmaken van onze goede medische zorg. Mijn inziens terecht. Maar... wij die een oorlog en een watervloed meegemaakt hebben, altijd hard hebben gewerkt, de fiscus gegeven wat hem toekwam, waardoor menigeen medicijnen kon studeren van ons belastinggeld, wij zouden na ons tachtigste levensjaar buitengesloten worden van de nieuwste behandeling op medisch gebied? Dat noem ik nu je reinste discriminatie.” Zo is het maar net.

Wat het allemaal zo ergerlijk maakt –en daarmee zijn we weer terug bij het begin– is dat veel behandelingen helemaal niet nodig zouden zijn als we met z’n allen gezonder zouden leven. Vaak lees je dat de zorg zo duur wordt omdat er steeds meer mogelijk is en omdat we steeds ouder worden. Dat is zeker een deel van de waarheid. Maar het staat voor mij onomstotelijk vast dat de financiële problemen in de zorg op slag zouden verdampen als iedereen zich matigt in zijn consumptie, een stuk gezonder zou eten en minimaal een halfuur per dag het luie zweet loost.

Zoals bekend is overgewicht (obesitas) een belangrijke risicofactor voor kanker en hart- en vaatziekten. Dat zijn dan ook dé grote killers. En als de huidige trend zich doorzet, wordt dat de komende jaren alleen nog maar erger. Overgewicht neemt volgens de prognoses in de nabije toekomst epidemische vormen aan. Er is niet minder dan een catastrofe op handen.

Afgelopen dinsdag stemde de Tweede Kamer over de begroting van Volksgezondheid. Zoals altijd was een stapeltje moties ingediend met uiteenlopende wensen en verlangens van de Kamer. Maar wie denkt dat er eentje bij was waarin een begin van een oplossing werd aangedragen voor de dreigende ramp in de zorg, komt bedrogen uit.

Iemand die er heel lang over nagedacht heeft om de steen der wijzen te vinden, is PVV-Kamerlid Agema. In Trouw verklaarde ze enkele weken geleden in een uitgebreid interview dat ze zich het hoofd breekt over de vraag hoe het tij kan worden gekeerd. Ze heeft al van alles bedacht maar dat ene gouden idee heeft ze nog steeds niet kunnen uitbroeden. Hulde voor dit Kamerlid dat ze de ernst van de naderende crisis onderkent en zo veel energie stopt in het bedenken van een effectieve aanpak. Tegelijkertijd stelt het me teleur dat ze de oplossingsrichting van de matiging niet benut. Ik wil zeker niet suggereren dat het allemaal heel erg simpel is maar hier ligt toch echt de sleutel.

Ik zou zeggen: Begin eens met de premies van de zorgverzekeringen en laat voortaan het uitgangspunt zijn ”wie zoet is, krijgt lekkers, wie stout is de roe”. Anders gezegd: wie alle adviezen om gezond te leven in de wind slaat, betaalt de hoofdprijs; wie discipline betracht en zich aan de regels houdt, krijgt aantrekkelijke kortingen. Dat is trouwens ook niet meer dan billijk. Waarom zou iemand die matig en gezond eet en leeft (een christelijk adagium trouwens!), moeten opdraaien voor de kosten van zijn buurman of collega die er maar een eind op los leeft en als gevolg daarvan schoenendozen vol medicijnen moet slikken en van de ene spreekkamer naar de andere strompelt. Om met mijn tante uit Zeeland te spreken: Dat noem ik nu je reinste discriminatie.

Tot slot: Wie van mij ook mag bloeden, is de voedingsindustrie. Wat die in haar producten stopt, daar lusten de honden geen brood van. Dat zeg ik niet maar dat zeggen alle recente onderzoeken. Door de vele toevoegingen van de industrie is de inname van calorieën veel en veel te hoog. Overgewicht is niet alleen onze eigen schuld maar voor een belangrijk deel ook van de voedingssector. Sorry dat ik het zeg maar daar lopen echt gewetenloze schurken rond. Welnu, de enige taal die dit geboefte verstaat, is die van het geld. Dat zullen ze wat mij betreft weten. Verplicht ze maar eens hun vuige winsten tot de laatste cent in een obesitasfonds te stoppen. Afslanken die handel!

20-11-2009 16:24 | Jan van Klinken

.

17 november 2009

Arabist Hans Jansen in Gouda

Aanstaande donderdagavond 19 november spreekt de bekende Arabist Hans Jansen in Gouda.

Meer info zie de aankondiging

Onderwerp: Israël en de Islamitische wereld

De echo van de boodschap

De boodschap van het "Christelijk Conservatisme" in het nieuwe boek van Bart Jan Spruyt echoot de afgelopen dagen nog na.
Onder andere bij dr. P de Vries te Waarder, bij drs. Menno de Bruyne in zijn Haagse propjes in partijblad De Banier van afgelopen vrijdag en op de blog van Dirk Jan Nijsink. (De tweede druk is na anderhalve week al realiteit)

Dr. P. de Vries was op het conservatief Café aanwezig en schreef over de presentatie en over ds. Doornenbal op pagina 4,5 en 6 van de kerkbode van Waarder.

De komende weken zullen er ongetwijfeld nog andere echo’s te horen zijn.
De grote vraag is echter of het een voortdurende echo zal worden of dat de echo over enkele maanden verstomd zal zijn. De essentie zit namelijk in de vraag of de christelijk-conservatieve boodschap van genoemd essay begrepen en overgenomen zal gaan worden door prominente instituten, opinieleiders, partijen of zelfs kerken.

En daar ben ik wat pessimistisch over.
Velen glimlachen om de nostalgie, willen best wel eens instemmend knikken maar denken vooral dat dit “oude” voorbij is gegaan en niet weder zal (kunnen) keren.
Sommige onwijzen denken dat het “te vernieuwend” is, te “anders als we gewend waren”.
Te progressief dus in plaats van conservatief.

Het Christelijk Conservatieve station.
In zowel SGP- kring als CDA -kring (ik zeg bewust niet partij) kan men ‘er zo weinig mee’ kreeg ik te horen.
En dat geloof ik graag. De meeste CDA- wagons zijn het christelijk- conservatieve station al voorbij gedenderd. Al zijn er wel heel wat CDA-ers waar het christelijk conservatieve vlammetje van binnen nog wakkert. Mensen als Eddy Bilder die met weemoed aan dat mooie station terug denken en nog middels een tikkende conservatieve stationsklok van binnen in hun hart iets kunnen uitstralen.
Terug naar dat station gaat de CDA trein echter niet meer.
Maar een zachte echo klinkt bij Bilder nog steeds en kan soms hard (zoals op 5 november jl.) door een Goudse Kathedraal schellen. Prachtig, maar het verstomt helaas weer snel.

Dan de SGP-trein. Velen hebben intussen kennis moeten of kunnen maken met het christelijk- conservatisme en haar katholieke breedte. Je moet het RD er maar eens op nalezen en de sprekersagenda’s van de SGPJ en in mindere mate de SGP in de gaten houden.
Als er één groep is die nog vóór dat conservatieve station staat is het de SGP achterban.
Ze zijn het station nog niet voorbij gedenderd. Maar ze staan er nog voor.
Sommige wagons gaan het station al bijna aandoen. Echter, anderen hebben als jonge forenzen het station al aangedaan maar zijn op de groene CD(J)A-wagon gesprongen en hebben op het station wat conservatief fast-food tot zich genomen. Ze hebben het station verlaten maar hopelijk niet voor altijd.

Menno de Bruyne staat als de aardige en stijlvolle stationschef eenzaam op het Christelijk Conservatieve station te kijken. Hij koestert zich in de sfeer van het authentieke Conservatieve station.
Hij kijkt niet in de richting van de verdwenen groene trein.
Hij kijkt niet door de mist naar een mogelijk aankomende trein.
Hij kijkt naar boven en glimlacht.
Zijn tijd zal het duren.
En ach, die mensen op die mogelijk aankomende trein, ze kennen reeds de stationschef, vinden hem “een beetje apart, voor een SGP-er”, dat wel. Maar hij is zo aardig en zo echt. Hij schrijft zo geestig zijn columns. Menno geniet van hun bevindelijke diepte en de mensen op de aankomende wagon genieten van zíjn katholieke breedte. Dat duurt nog wel even zo voort.

Wie gaat nu die mensen op die aankomende trein vertellen dat ze van hun stoptrein een intercity moeten maken om op dat christelijk conservatieve station aan te moeten koersen?
Die aardige voorlichtende stationschef of die jonge jeugdwerkadviseur die ook al op dat station zit maar méér wil dan alleen genieten van de nostalgische stationsklok. Die adviseur wil namelijk die stationsklok niet alleen laten tikken maar ook laten luiden. Hij ziet die klok namelijk op 5 voor 12 staan.

Het woord is wat mij betreft aan die adviseur:


(bron: blog Dirk Jan Nijsink)

Het is maandag. Ik had vandaag een blog willen schrijven naar aanleiding van een bezochte debatavond van SGP-jongeren Urk over ‘Christendom en de PVV’. Misschien doe ik dat later. In elk geval schrijf ik deze week een artikel over het ‘christelijk conservatisme en de SGP’, dat zal ik ook hier plaatsen. Ik wil nu eens niet over politiek schrijven, “er is een weg die nog uitnemender is”.

Gisteren was het zondag en dat is een mooie dag. Met onuitsprekelijk veel vreugde heb ik in één middag bijna het hele nieuwe boek van Bart Jan Spruyt Als je eenmaal hebt liefgehad gelezen. Prachtig, je ziet de weergaloze beelden van licht en kleuren je proeft de euforie over dit Godswonder – laat onze ogen meer uitgaan naar de beeldende schoonheid van Gods schepping. Genoten heb ik van de voelbare strijd tussen romantiek en stichtelijkheid. Beelden, gedachten uit mijn eigen jeugd doemden op. Is dit een wereld, een tijd, zijn dit mensen die al eindeloos, onbereikbaar achter ons liggen? Enerzijds voel ik de melancholie om wat verloren is, aan de andere kant weiger ik haar. Dit boek brengt een goede boodschap.

Het christelijk conservatisme van dominee Doornenbal is volgens Spruyt te typeren als een combinatie van ‘katholieke breedte en tegelijk diepe bevindelijkheid’. Dat is voor moderne ‘refo’s’ een onmogelijkheid, niet in de laatste plaats veroorzaakt door een verengde visie op geloof, kerk en cultuur. Zicht op de katholieke – algemeen christelijk – breedte hebben we nauwelijks, want we voeren oorlog om de kleinste zaken, tegelijk zijn we ook de ‘diepe bevindelijkheid’ kwijt, ik kom daar zo op terug. Refoland is een woestijn, in plaats van een land vloeiende van melk en honing.

Met weerzin kijk ik soms naar het reformatorische gewoel onder de zon. Het is té perfect. Het klopt té goed. Elk onvertogen woord is uitgebannen, de humor bedenkelijk. Ernst heeft daarom plaatsgemaakt voor een serieusheid, zonder ironie, zonder zelfkritiek. Wij weten hoe het moet en wij hebben onze eigen wereld geschapen en elke afwijking daarop is vreemd en verdient niet anders dan ons hoongelach. Het is nu de tijd om de ‘katholieke breedte’ te zoeken.

Doornenbal keerde zich, net als ds. I. Kievit, tegen een theologische ontwikkeling waarin het geloof ‘een verschrikkelijk ingewikkeld ding’ is geworden. Niet weinigen zijn nu bevreesd uitspraken te doen over hun eigen bevinding, want als deze niet ‘overgenomen’ kunnen worden door geestelijk keurmeesters hebben ze een nog grotere geestelijke nood. En zo worden zelfs de heilige zaken langs een menselijke meetlat geplaatst. Dit gaat door tot in het leven-van-alle-dag. Alle ongeregeldheden en vermeende ongerechtigheden zijn uitgebannen, maar hiermee ook de schoonheid van kunst, muziek en literatuur. Een gave die, de door ons zo geprezen, maar weinig gelezen, ‘oudvaders’ wel hadden, als daar zijn: Revius, Bogerman en Voetius. Zij genoten van de schoonheid van de composities van Jan Pietersz Sweelinck. Wie peilt nu nog de diepte van Ein Deusches Requiem van Johannes Brahms, of de ongekende schoonheid van de Passacaglia in C van Johann Sebastian Bach, waarin hij zijn Schepper en Heere roemt?

De haringen van de ‘refotenten’ – die niet langer lijken op de zwarte tenten van Kedar – zijn als met een moker diep ingeslagen in de keiharde grond van ons aardse bestaan. Politiek verzetten wij ons tegen de sociaal-democratische ‘maakbaarheid van de samenleving’, terwijl we zelf de ‘maakbaarheid van de zuil’ omarmen. Zelfs de kritiek van buitenaf zou, volgens sommige opinieleiders in eigen kring, met een ‘reformatorische COC’ gepareerd kunnen worden. Hoe zot.

In de gebrokenheid van ons bestaan passen die mokerslagen niet. Zelfs Doornenbal kon zijn ‘aardsgezindheid’ soms verfoeien – en dat terwijl hij niet aan het ‘stof’ kleefde als andere mensen, maar zich in dat soort ogenblikken slechts hechtte aan de haast paradijselijke aanblikken van het landschap. Het was de strijd tussen romantiek en stichtelijkheid. Maar, iets – diepe bevindelijkheid – ging daar altijd boven uit: Christus in Wie al de volheid woont. ‘Al de volheid! Dan kan toch dit lege leven vol worden, en daarnaar schreit immers ons hart? Als er maar werkelijk plaats voor is.’ Het was de stille roep vol heimee ‘naar de God des Levens, ach wanneer?’ (Psalm 42) ‘Die heimwee hebben, komen thuis.’

Halleluja (een woord dat ds. J.T. Doornenbal wat vaker ging gebruiken toen hij hoorde dat Beppie van de meester dat zo mooi vond).

N.a.v.: Bart Jan Spruyt, Als je eenmaal hebt liefgehad. Over ds. J.T. Doornenbal, geloof, cultuur en politiek (Zoetermeer 2009).

Volgers